Bijna iedere onderneming heeft te maken met (gevoelige) informatie waarvan je als ondernemer niet wilt dat dit bij de concurrent terecht komt. Het gaat hier om zogenaamde bedrijfsgeheimen waar concurrenten hun voordeel uit kunnen halen. Op dit moment is het gebruikelijk om als ondernemer een geheimhoudingsbeding in het contract op te stellen. Het schenden van een dergelijk beding levert dan een wanprestatie op met als gevolg dat er een schadevergoeding kan worden gevorderd.1 Sommige (technische) informatie kan ook worden vastgelegd met behulp van een octrooi. Een groot nadeel hiervan is echter dat de informatie openbaar wordt gemaakt, waardoor concurrenten alsnog mee kunnen kijken. Een ander nadeel is dat veelal kleine ondernemingen hun informatie niet kunnen beschermen door middel van een octrooi, gezien de hoge kosten ervan.2 Ook als er geen contractuele afspraken zijn gemaakt tussen partijen, kan het schenden van bedrijfsgeheimen onrechtmatig zijn. Het is echter niet geheel duidelijk wanneer hier sprake van is, gezien de diversiteit in de rechtspraak.3 Een oplossing is de zogenaamde Wet bescherming bedrijfsgeheimen, welke op 17 april 2018 is aangenomen door de Tweede Kamer. Het wetsvoorstel biedt meer duidelijkheid over de bescherming van bedrijfsinformatie en niet-openbaargemaakte ‘knowhow’.

Met de wet wordt het onrechtmatig verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van bedrijfsgeheimen strafbaar gesteld. Wat precies onder bedrijfsgeheim wordt verstaan, staat omschreven in artikel 1 van de Wet bescherming bedrijfsgeheimen.4Hieruit blijkt dat er moet zijn voldaan aan een aantal voorwaarden. De eerste voorwaarde is dat het een geheim moet zijn, wat wil zeggen dat de informatie niet algemeen bekend of gemakkelijk toegankelijk is. Ten tweede moet het een zekere handelswaarde bezitten doordat de informatie geheim is. Ten slotte moeten er redelijke maatregelen zijn getroffen om de informatie geheim te houden. Dit kunnen organisatorische maatregelen zijn, maar ook contractuele maatregelen, zoals een geheimhoudingsbeding. Wanneer je zonder toestemming van de houder een bedrijfsgeheim verkrijgt, gebruikt of openbaar maakt, is dit onrechtmatig. Ook het gebruiken van bedrijfsgeheimen die ‘inbreuk maken op een geheimhoudingsovereenkomst of een andere verplichting tot het niet openbaar maken van het bedrijfsgeheim’ valt hieronder. Hieruit kan worden afgeleid dat ook het schenden van een geheimhoudingsbeding valt onder de Wet bescherming bedrijfsgeheimen.

Uit artikel 3 Wet bescherming bedrijfsgeheimen blijkt dat het niet onrechtmatig is als er sprake is van een ‘onafhankelijke ontdekking of een onafhankelijk ontwerp’.5Hierin zit tevens een groot verschil met het octrooirecht, waarin dit niet van belang is voor de vraag of er sprake is van een inbreuk op dit recht. Bij de Wet bescherming bedrijfsgeheimen wordt de geheime informatie als zodanig beschermd en niet het product waarvoor de informatie wordt gebruikt. Voor de houder van het bedrijfsgeheim is het lastig te bewijzen of er sprake is van een schending, omdat het van de buitenkant vaak lastig te zien is of bij het maken van het product de bedrijfsgeheimen van een ander zijn gebruikt.

Indien de houder van het bedrijfsgeheim er echter in slaagt aan te tonen dat er sprake is van de schending van een bedrijfsgeheim, kunnen er verschillende vorderingen worden ingesteld. Zo kan de houder op grond van artikel 5 Wet bescherming bedrijfsgeheimen een staking of verbod op het gebruik of de openbaarmaking van het bedrijfsgeheim vorderen. Ook kan de houder reeds vervaardigde producten terugroepen of vernietigen. Verder kan de houder een schadevergoeding vorderen van een inbreukmaker die wist, of gezien de omstandigheden, redelijkerwijs had moeten weten dat het om een onrechtmatig verkregen bedrijfsgeheim ging.6 Bij de beslissing over een vordering houdt de rechter rekening met alle omstandigheden van het geval. Zo wordt gelet op de waarde en andere specifieke kenmerken van het bedrijfsgeheim, de maatregelen die zijn genomen om het bedrijfsgeheim te beschermen en de handelswijze van de inbreukmaker bij het verkrijgen, gebruiken of openbaar maken van het geheim.

Kortom: Het is voor bedrijven van essentieel belang om hun bedrijfsgeheimen te beschermen. De Wet bescherming bedrijfsgeheim verstevigt de positie van de houder van bedrijfsgeheimen. Het bewijzen dat er sprake is van de schending van een bedrijfsgeheim is echter een ding, omdat het lastig is om te aan te tonen dat er bij het maken van het product de bedrijfsgeheimen van een ander zijn gebruikt. Het blijft daarom raadzaam bepaalde informatie te beschermen door middel van een intellectueel eigendomsrecht, zoals het octrooirecht. Ondanks het feit dat informatie openbaar wordt gemaakt, krijg je als ondernemer wel de bescherming dat niemand gedurende een bepaalde periode gebruik mag maken van het bedrijfsgeheim. Ook blijft het van belang om een geheimhoudingsbeding in het contract op te nemen, omdat dit de voorwaarde vervult dat er maatregelen moeten zijn getroffen om het bedrijfsgeheim te beschermen. Door een dergelijk beding op te nemen in het arbeidscontract, kan dus makkelijker een beroep worden gedaan op de Wet bescherming bedrijfsgeheimen. Tevens biedt een geheimhoudingsbeding de mogelijkheid bepaalde zaken vast te leggen die niet zijn geregeld in het wetsvoorstel.

Namens de redactiecommissie,

Sanne Eding

  1. Dijkstra, J.J. & Kneppers-Heijnert, E.M. (2017) Juridische aspecten van kennismanagement.
  2. Dijkstra, J.J. & Kneppers-Heijnert, E.M. (2017) Juridische aspecten van kennismanagement.
  3. Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 3
  4. Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 2
  5. Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 2
  6. Kamerstukken II 2017/18, 34821, nr. 2