LISA – Law & ICT Students’ Association|Bestuur@lisa-groningen.nl

Het elektriciteitsarrest anno 2018?

Home » IT-recht » Het elektriciteitsarrest anno 2018?

Het elektriciteitsarrest anno 2018?

Geachte lezer,

In deze blog wil ik u graag meenemen naar het jaar negentienhonderd eenentwintig.[1] In dit jaar wees de Hoge Raad het fameuze elektriciteitsarrest. Het arrest waarvan je als jonge onbezonnen rechtenstudent denkt: goh, dit is grappige jurisprudentie. Het zette mij in ieder geval aan het denken hoe belangrijk de interpretatie van bestanddelen is.

In dit arrest adviseerde de Advocaat-Generaal aan de Hoge Raad dat het wegnemen van elektriciteit op één lijn gesteld diende te worden met schending van wetenschappelijke, letterkundige of artistieke eigendom. Schending hiervan zou geen diefstal, art. 310 Sr. opleveren.

De Hoge Raad was een andere mening toegedaan. Zij oordeelde dat het wegnemen van elektriciteit wel degelijk als het wegnemen van een goed kon worden gekwalificeerd omdat de strekking van art. 310 Sr. is: het beschermen van vermogen. Doordat elektriciteit vanwege de eigenschappen tot vermogen gerekend diende te worden viel het onder het bestanddeel enig goed. Elektriciteit is zoals anno 2018 bekend geld waard, neem je dit af zonder te betalen benadeel je de leverancier en kom je vanzelfsprekend uit op diefstal.

Anno 2018 ligt de vanzelfsprekendheid van bepaalde materie iets minder voor de hand. Sinds een paar jaar is de Bitcoin bezig aan een opmars, zowel in waarde als in het geven van lastige vraagstukken. Zo kwam in 2014 de eerst ‘Bitcoin-rechtzaak’ voor de rechtbank Overijssel en zo was het afgelopen maand weer raak voor de rechtbank Amsterdam.[2] In deze uitspraak draait het om Koinztrading B.V. een zo blijkt uit de uitspraak malafide aanbieder van bitcoin mining. Het verdienmodel van dit bedrijf bestond uit de mogelijkheid om je in te kopen in de mining werkzaamheden waarbij er een rendement in het vooruitzicht werd gesteld als zijnde beloning voor de oorspronkelijke investering. Doordat dit bedrijf het naliet om haar investeerders te betalen is een benadeelde naar de rechter gestapt om het faillissement aan te vragen.

Voordat de rechtbank kon oordelen of het faillissement aangevraagd kon worden diende zij zich te buigen over de vraag of een vordering in bitcoin een vordering is in de zin van art. 1 FW.  Alvorens men faillissement aan kan vragen dient er namelijk een verifieerbare vordering te zijn.

Ingevolge art. 1 Fw wordt een schuldenaar, die in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, hetzij op eigen aangifte, hetzij op verzoek van een of meer van zijn schuldeisers bij rechterlijk vonnis in staat van faillissement verklaard.

Schuldeiser in de zin van art. 1 Fw is iedereen die een vordering heeft op de schuldenaar, die bij niet-voldoening leidt tot verhaal op de boedel en die voortvloeit uit een reeds ten tijde van de faillietverklaring bestaande rechtsverhouding (HR 19 april 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY6108 – [partijen] q.q.). De vordering dient derhalve een verifieerbare vordering te zijn. Aangezien de in het vonnis opgenomen dwangsommen ingevolge het bepaalde in art. 611 onder e van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet tot verhaal op de boedel kunnen leiden, kan de rechtsvordering tot betaling van dwangsommen derhalve het verzoek niet dragen. Het verzoek zal dus slechts kunnen worden toegewezen als de vordering tot uitbetaling van bitcoin is aan te merken als een te verifiëren vordering.

Een bitcoin bestaat, zo begrijpt de rechtbank, uit een unieke, digitaal versleutelde reeks van cijfers en letters opgeslagen op de harde schijf van de computer van de rechthebbende. Bitcoins worden ‘geleverd’ door het verzenden van bitcoins van de ene wallet naar de andere wallet. Bitcoins zijn op zichzelf staande waarde-bestanden, die bij een betaling rechtstreeks door de betaler aan de begunstigde worden geleverd. Hieruit volgt dat een bitcoin een waarde vertegenwoordigt en overdraagbaar is. Naar het oordeel van de rechtbank vertoont het hiermee kenmerken van een vermogensrecht. Een vordering tot betaling in bitcoin is dus te beschouwen als een vordering die voor verificatie in aanmerking komt.

Nu een vordering in Bitcoin, in casu 0.591 Btc, te kwalificeren is als een vordering in de zin van art 1. Fw. verklaart de Rechtbank Koinztrading B.V. failliet. Hiermee stelt het een bitcoin gelijk met een vermogensrecht gezien dit waarde vertegenwoordigt. De vraag of een Bitcoin aan te merken is als wettig betaalmiddel was al beantwoord, immers kan een wettig betaalmiddel alleen een door de overheid gestandaardiseerd middel zijn waarmee betaald kan worden. In 2014 oordeelde de rechtbank Overijssel dat het geen betaalmiddel was maar een ruilmiddel, in 2015 oordeelde het Hof van Justitie van de Europese unie dat Bitcoins net zoals ‘deviezen, bankbiljetten en munten’ vrijgesteld zijn van btw.[3] Is dit dat het baanbrekende arrest waar velen op wachten? Ik denk het niet, echt spectaculair is het allemaal niet wat de rechtbank toewijst.

Het is in mijn ogen vrij evident dat een bitcoin waarde vertegenwoordigd doordat de koers gelinkt is aan euro’s of dollars. Sluit jij met iemand een overeenkomst waaruit een vordering ontstaat en de wederpartij voldoet hier niet aan heb jij een afdwingbare vordering wat uiteindelijk het faillissement van de schuldenaar tot gevolg kan hebben. Echt baanbrekend zou het pas zijn als net zoals in Japan de Bitcoin als een wettig betaalmiddel wordt erkend.[4] Wie weet of dit over enkele jaren ook daadwerkelijk gaat gebeuren.

 

Namens de redactiecommissie,

 

Jeroen van Kampen.

 

[1] HR 23 mei 1921, NJ 1921/564

[2]ECLI:NL:RBOVE:2014:2667, ECLI:NL:RBAMS:2018:869

[3] CLI:EU:C:2015:718

[4] https://www.ft.com/content/b8360e86-aceb-11e7-aab9-abaa44b1e130a

2018-04-22T19:29:41+00:00april 22nd, 2018|IT-recht|

Leave A Comment