Zoals jullie waarschijnlijk hebben vernomen komt het woord motorclub tegenwoordig regelmatig voorbij. In de krant, bij RTL Late Night, tijdens het NOS-journaal en zelfs in het Regeerakkoord van 2017-2018 wordt het expliciet benoemd. Je zou bijna denken dat het een maatschappelijk probleem is. Ondanks de vele krantenkoppen, veelal negatief, hebben de leden van de ‘outlaw motorcycle gangs’ het grondwettelijke recht op de vrijheid van vereniging, net zoals onze studievereniging is opgericht middels deze vrijheid. Gezien de berichtgeving leek het mij interessant om iemand te interviewen met specialistische kennis over dit onderwerp. Zodoende ben ik uitgekomen bij Joep Koornstra, promovendus aan de Rijksuniversiteit Groningen.1
Hij promoveert op het spanningsveld tussen de vrijheid van vereniging en de aanpak van outlaw motorcycle gangs.
Aan de hand van de actualiteit, verschillende publicaties waaronder de publicaties van Koornstra zelf afgetopt met wat research heb ik vragen gesteld, waarop ik bijzonder gedetailleerd antwoord kreeg. Het was een leerzaam en enerverend gesprek. Er is zelfs gelachen!

In AB 2017/72: “Vrijheid van vereniging” lees ik dat er verschillende vereisten zijn voor het verbieden van een vereniging. Er wordt door het EHRM een onderscheid gemaakt tussen een vereniging en een politieke partij. Is dit onderscheid gerechtvaardigd?
In de jurisprudentie komt naar voren dat het Hof een glijdende schaal gebruikt voor verenigingen, verenigingen met een politiek karakter en politieke partijen.2 Des te politieker een vereniging is, des te strenger de maatstaf om zo’n vereniging te verbieden of ontbinden. Een van de strengere eisen bij politieke verenigingen is de risico-toets. Dit houdt in dat er gekeken wordt in hoeverre het realistisch is dat het partijprogramma, wat indruist tegen democratische waarden, daadwerkelijk wordt gerealiseerd.
Het onderscheid heeft uiteraard te maken met het belang dat een politieke partij dient in een democratie. In het licht daarvan, wordt dit belang door het Europees Hof op grotere waarde geschat dan het belang wat door andere verenigingen wordt gediend. In die zin is het begrijpelijk, en wellicht ook gerechtvaardigd, dat er een onderscheid wordt gemaakt tussen politieke partijen en verenigingen met een politiek karakter. Het verbieden van de eerste soort zal in de regel een grotere impact hebben op de samenleving, aangezien het de aard van een politieke partij is dat zij een bepaald deel van de samenleving vertegenwoordigen, maar ook invloed kunnen uitoefenen op beleid. Dat in tegenstelling tot een klein clubje zonder politieke aspiraties. In Nederland zijn er overigens ook geluiden dat er een afzonderlijke verbodsregeling moet komen, die toegespitst is op politieke partijen.3

Wat zijn volgens u omstandigheden welke kunnen leiden tot het inperken van het grondrecht de vrijheid van vereniging?
Art. 8 Gw bepaalt dat het grondrecht alleen mag worden beperkt bij wet in het belang van de openbare orde. De grondwet eist dus een formeel wettelijke grondslag. Die is te vinden in art. 2:20 BW, welke dezelfde doelcriteria bezigt: alleen indien de werkzaamheid of het doel in strijd is met de openbare orde, mag het recht op vrijheid van vereniging worden beperkt door die rechtspersoon te verbieden en te ontbinden. Dit houdt in dat de werkzaamheid inbreuk moet maken op de algemeen aanvaarde grondvesten van ons rechtsstelsel en de handelingen moeten inbreuk maken op de als wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, en die, indien op grote schaal toegepast, ontwrichtend zijn of kunnen zijn voor de samenleving. Dit kunnen strafbare feiten zijn, zoals het aanzetten tot haat en discriminatie, maar dat hoeft niet. Ook verwerpelijk gedachtegoed kan als een met de openbare orde strijdige werkzaamheid worden gezien. De Hoge Raad heeft echter in zijn beschikking in de zaak Martijn niet de ontwrichtingtoets gehanteerd maar een noodzakelijkheidtoets zoals die voortvloeit uit het Europees Verdrag tot Bescherming van de Rechten van de Mens en de Fundamentele Vrijheden (EVRM). Is een verbod noodzakelijk in een democratische samenleving?

In 2009 poogde het Openbaar Ministerie (OM) de Hells Angels te verbieden naar aanleiding van een marteling met moord tot gevolg in 2007.4 Toen konden de handelingen van de leden niet toegerekend worden aan de overkoepelende organisatie. Denkt u dat er een wetswijziging nodig is om een verbod te realiseren of ligt de situatie anno 2017 anders?
In het Hells Angels-arrest oordeelde de Hoge Raad inderdaad dat het gedrag van derden, zoals members of zusterorganisaties, niet als eigen werkzaamheid van de vereniging kunnen worden aangemerkt, indien de rechtspersoon zelf niet rechtstreeks betrokken is in de zin dat het bestuur daaraan leiding of daartoe gelegenheid heeft geboden. De Hoge Raad laat echter wel een opening over: indien bijzondere feiten en omstandigheden van het geval ertoe nopen anders te concluderen, dan kunnen individuele handelingen wel toegerekend worden aan de rechtspersoon. De situatie in 2017 is voor de toerekenbaarheidsvraag niet per definitie anders geworden. Wel is sinds de Martijn-uitspraak de drempel voor een verbod verlaagd, maar dat ziet toe op de noodzaak van een verbod, een ander criterium waaraan de rechter aandacht moet schenken.

In uw noot met Prof. Brouwer lees ik dat het in Frankrijk makkelijker is om individuele daden van de leden toe te rekenen aan de vereniging.5 In Nederland dient het bestuur leiding gegeven te hebben aan of doelbewust de gelegenheid hebben gegeven aan de met de openbare orde strijdige werkzaamheden. Is de Franse inslag wellicht een oplossing voor het toerekenbaarheidsprobleem wat het OM in 2009 parten speelde?
In het Franse systeem is de juridische toerekenbaarheidsvraag niet bij de rechter neergelegd, maar bij de wetgever. Die heeft wettelijk vastgelegd wanneer een (ernstige) daad van vandalisme of mishandeling begaan door twee of meer leden aan de vereniging kan worden toegerekend. De rechter hoeft slechts vast te stellen dát er sprake was van twee of meer leden die een daad in gezamenlijk verband hebben gepleegd rondom een sportevenement. Naar Nederlands recht moet de rechter eerst vaststellen waaruit precies de werkzaamheid bestaat. Bijvoorbeeld uit handelingen van individuen. Vervolgens moet de rechter ook nog een verband aantonen tussen het bestuur van de vereniging en de handelingen van de individuen. Dit is veel complexer dan de Franse manier. Je zou kunnen stellen dat dit een oplossing kan zijn, en dat dit in ons systeem geïmplementeerd kan worden. Je moet dan alleen wel goed onderzoeken welke implicaties dit kan hebben voor het systeem. Wordt het dan niet te makkelijk om rechtspersonen te verbieden? Heeft dit vergaande consequenties voor politieke partijen? Zou je dan eigenlijk ook niet onderscheid moeten maken naar verschillende soorten rechtspersonen? Dus het zou een uitkomst kunnen zijn, maar dan moet eerst vanzelfsprekend onderzoek gedaan worden naar de rechtsstatelijk implicaties van de eventuele implementatie daarvan.

In het Vereniging Martijn-arrest van de Hoge Raad komt naar voren dat er terughoudend omgegaan dient te worden met het verbieden van een vereniging door de grondwettelijke verankering van dit democratische recht.6 De Hoge Raad formuleert bepaalde punten waaraan getoetst dient te worden, waaronder de noodzakelijkheid. Bent u van mening dat er aan dit vereiste werd voldaan?
In de beschikking Martijn lees je terug dat de Hoge Raad wel verwijst naar de criteria die in het Hells Angels-arrest zijn gehanteerd, maar daar lees je ook dat de Hoge Raad in plaats van die maatstaf, de uitkomst van de noodzakelijkheidtoets van het EVRM de doorslag laat hebben. Een van de aspecten van de noodzakelijkheidstoets is of er niet minder zware middelen zijn om hetzelfde doel te bereiken. In het geval van Martijn – die zijn gedachtegoed bespreekbaar wilde maken en zich inzette voor een verlaging van de leeftijdsgrens waarop je legaal seks mag hebben met kinderen – vind ik het zo 1 2 3 moeilijk voorstelbaar om een geschikter middel, anders dan een verbod, te vinden om dat gedachtegoed in de kiem te smoren. Over de vraag of het effectief is: dat is heel moeilijk vast te stellen. Daarbij moet je ook het doel van een verbod voor ogen hebben. Het doel van een verbod moet altijd de openbare orde dienen, zo stelt art. 8 Gw in samenhang met art. 2:20 BW vast. Soms heb ik ook het idee dat het doel is om op die manier als samenleving tegen zo’n vereniging te zeggen: je doet niet meer mee, dit willen wij niet. Je weet natuurlijk nu niet of de vereniging Martijn ondergronds is gegaan, op het darkweb of iets dergelijks.

Vereniging Martijn is verboden vanwege het verheerlijken van wat maatschappelijk gezien als verderfelijk wordt beschouwd. Nu verheerlijkt een motorclub niet per definitie criminaliteit zoals het OM beweert. Zou dit een punt van belang kunnen zijn voor de rechter?
Dat kan zeker van belang zijn. In de parlementaire geschiedenis zie je dat de minister een aantal werkzaamheden opnoemt die in strijd zijn met de openbare orde die een verbod zouden kunnen rechtvaardigen. Het aanzetten tot haat, discriminatie en het stelselmatig niet afdragen van premies. Deze handelingen worden allen aangemerkt als een aantasting van wezenlijk ervaren beginselen van ons rechtsstelsel, die, indien op grote schaal toegepast, de samenleving zouden ontwrichten. Indien het OM erin slaagt aan te tonen dat er binnen de motorclubs een sfeer van bijvoorbeeld geweldverheerlijking en het toepassen van (ernstig) geweld heerst, dan kan ik het me voorstellen dat de rechter dit accepteert als een met de openbare orde strijdige werkzaamheid die een verbod zou kunnen rechtvaardigen.

De Hoge Raad beargumenteert zijn beslissing onder andere door te zeggen dat Nederland internationaal gezien verplicht is maatregelen te nemen.7 Hieruit vloeit voort dat de ‘internationale mening’ wellicht van belang kan zijn. Zo treedt Duitsland harder op tegen motorclubs in vergelijking met Nederland.
Ook Nederland heeft internationale verplichtingen om georganiseerde criminaliteit zoveel mogelijk in te dammen. In die zin is het dus juist dat internationale ontwikkelingen kunnen bijdragen aan de consensus dat een bepaalde werkzaamheid kennelijk in strijd is met de openbare orde en dat een verbod daarom gerechtvaardigd zou kunnen zijn. Dit heeft te maken het begrip de openbare orde en wat daaronder allemaal kan worden verstaan. Prof. Brouwer heeft daar een mooi stuk over geschreven, weliswaar over openbare orde in de Gemeentewet, maar desalniettemin een mooi stuk (NJB 2016/1561). Om even een heel ludiek voorbeeld te schetsen: de vereniging Martijn zou waarschijnlijk niet op zoveel weerstand stuiten in het oude Griekenland, waar het hebben van seks met jonge jongens vrij normaal was.

Bent u van mening dat er een ‘heksenjacht’ gaande is met betrekking van het willen verbieden van motorclubs. Zo worden clubhuizen gesloten op last van de burgemeester op grond van verstoring van de openbare orde.8 Wordt hiermee het ‘openbare orde’ begrip niet dusdanig opgerekt dat onwenselijk gedrag automatisch hieronder valt?
Ja, heksenjacht. Kijk, de overheid en justitie doen veel onderzoek naar betrokkenheid van motorclubs bij criminaliteit. Rechtspraak laat ook zien dat leden van die motorclubs zich vergrijpen aan de meest zware strafbare feiten. Doodslag, moord, brandstichting. Daarom heeft de overheid ook een integrale aanpak ontwikkeld. Daarmee dwarsboomt de overheid op allerlei wijzen outlaw motorcycle gangs. Clubhuizen worden gesloten, bouwvergunningen worden ingetrokken of geweigerd, men mag niet meer in de beveiligingsbranche werken of bij de overheid. Vaak wordt het begrip openbare orde aangegrepen om een grondslag te vinden voor het aanwenden van die bevoegdheden. Per geval zou je eigenlijk moeten kijke